Bremerblog op Twitter
Volg ons nu ook op Twitter! @Bremerblog
Volg ons nu ook op Twitter! @Bremerblog
2007 was een belangrijk jaar voor Guido en Thea Bremer. In dit jaar maakten zij een reis naar Sorong-Doom, het eilandje waar de familie als laatste heeft gewoond voordat zij naar het koude kikkerlandje vertrokken. Van deze bijzondere reis maakte Guido een reisverslag, waarvan deel 1 onderstaand is geplaatst. Komende periode zullen meer reisverslagen en uiteraard bijbehorend beeldmateriaal worden geplaatst op de 'Bremer-site'. (red. Hessel Bremer)
Reisverslag deel 1
Bijdrage van Guido Bremer
Het is het jaar 2007,
Veertig jaar geleden trad ik in het huwelijk met Thea van Duyneveldt. Vijftig jaar geleden vertrok ik alleen als veertien jarige jongen vanuit Sorong-Doom naar Nederland. Zestig jaar geleden verliet ik op vierjarige leeftijd Bogor (Buitenzorg) in het toenmalige Nederlands Indië samen met mijn ouders en twee zussen om het geweld te ontvluchten om naar Nieuw Guinea te gaan.
Deze gebeurtenissen hebben mij doen besluiten om samen met mijn vrouw terug te gaan naar de plaatsen, waar ik geboren ben en waar ik mijn jeugd heb doorgebracht. Omdat alle Indonesische vliegtuig maatschappijen, inclusief Garuda, door de EU op de zwarte lijst zijn geplaatst, boeken we bij de KLM. Na een oponthoud van vijf uur in Kuala Lumpur, (één van de vrachtdeuren kon niet goed gesloten worden), komen we ’s avonds laat in Jakarta aan, waar we worden opgewacht door mijn nicht Baby Biere en haar zoon Robert. Thuis aangekomen, worden we zoals altijd hartelijk begroet door de huismeid Nar. Zij geeft ons meteen wat te drinken, want ondanks dat het al middernacht is, is het nog steeds bloedje heet. Na wat gepraat met de andere huisgenoten en de kaas en worst in de koelkast gelegd te hebben, gaan we doodmoe naar bed. Bangin, de jongste huisjongen sjouwt onze zware koffers naar onze slaapkamer op de eerste etage. Ondanks de hitte vallen we toch in slaap.
Om vier uur worden we gewekt door het ochtend gebed uit de moskee, versterkt uit een luidspreker. Ik herken het en val toch weer in slaap. Het is zes uur en ik ben klaar wakker. Ik ga op het boven terras een sigaretje roken en hoef niet lang te wachten of Nar komt me mijn grote glas warme thee brengen (permissie Toean). Het is nog donker en ik hoor de stad ontwaken, de brood en melkventer komen langs met hun eigen roep, roti.roti of susu susu met het bijbehorende elektronisch muziekje. De tukan sajur (groenteman ) komt later op de dag en is nu naar de pasar om in te kopen. Het wordt licht en binnen een uur komt de zon op. Je voelt meteen de warmte. Ik ga me mandiën en aankleden en maak Thea wakker. Gewapend met mijn puzzelboekje en mijn handdoekje ga ik de trap met de veel te smalle treden zijdelings af en ga op het terras zitten. Dan komt Nar mij de thee brengen en terwijl ik met haar in gesprek ben, komt de buurman Tommy aanlopen en vraagt gehaast naar Adja de heer des huizes en neemt naast me plaats op de bank. Hij vertelt mij, dat de buurvrouw die in Bandung verblijft, is overleden. Adja heeft zich snel aangekleed en komt bij ons zitten en hoort het verhaal van Tommy aan. Hierna breekt er een hectische periode aan.
Adja is hoofd van een deelgemeente van Jakarta en is dan belast met de begrafenis van een overleden persoon. Samen met Tommy wordt van alles geregeld, want ze wil in Jakarta begraven worden. Vele telefoontjes worden er gevoerd en andere heren komen langs om het een en ander te bespreken over het vervoer van het stoffelijke overschot vanuit Bandung en de begrafenis. Er komen dames langs die samen met Baby ook het een en ander moeten regelen, want na een begrafenis moet er gegeten worden, want men komt van ver. Tussen al deze drukte is Thea ook naar beneden gekomen en kunnen we aan het ontbijt. We kijken met verwondering naar al de drukte van komen en gaande mensen. Het huis en de tuin van de buurvrouw wordt door ingehuurd personeel opgeknapt en schoongemaakt,(ze heeft er de laatste drie jaar niet meer gewoond), want de uitvaartdienst en de begrafenis vinden vanuit dat huis plaats. Vrouwen en hulpjes zijn druk bezig met inkopen doen en het klaarmaken van het eten voor de gasten. Ondanks de drukte weet Baby nog de nodige aandacht aan ons te besteden en komt regelmatig met ons praten om ons het een en ander te vertellen over wat er zoal de volgende dag ons te wachten staat, want een begrafenis hebben we nog nooit meegemaakt in Indonesië. ’s Middags gaat Robert met ons mee naar de shopping mall, een groot winkelcentrum om aan de drukte thuis te ontsnappen en kopen een sim kaartje voor onze telefoon, dat is goedkoper bellen naar Holland.
Het is zaterdag.
We zijn vroeg opgestaan en meteen aan het ontbijt gegaan. Om negen uur vertrekken we naar het huis van de buurvrouw en er zijn al vele gasten en de pastoor die de mis zal leiden in het huis aanwezig. Baby is bij ons en brengt ons naar onze plaatsen vooraan in de woonkamer waar ook de baar met de kist is geplaatst met een foto van de overledene. Haar naam is Lucia Anna Utomo en 62 jaar oud. Het is al heel warm in de kamer met al die mensen en de pastoor begint met de dienst. Na afloop zingt een koortje, waar ze ook lid van was, een afscheidlied en we gaan bij Baby en Adja in de auto. Onder politie escorte met loeiende sirenes wordt de begrafenisstoet door het drukke verkeer van Jakarta geloodst en na een half uur rijden komen we op de begraafplaats aan. Het graf is gedolven en er is een grote open tent boven geplaatst zodat we gelukkig niet in de zon hoeven te staan. Nadat men iedereen van een flesje water heeft voorzien houdt de pastoor nog een gebed en zingt het koor een afscheidslied voor Lucia en men begint met het laten dalen van de kist. Men komt erachter dat het gegraven graf te klein is en de kist wordt weer omhoog gehaald en er komen werklieden die het graf groter moeten graven. Na een half uur graven en passen en meten wordt alsnog de kist neergelaten en moge Lucia in vrede rusten.
Er staan manden met strooibloemen en we worden verzocht om wat bloemen in het graf te strooien. Enkele dames ontfermen zich over Thea en helpen haar over de wankele planken die men naast het graf heeft gelegd. Als een ieder zijn laatste eer bewezen heeft begint men met het sluiten van het graf en tot slot wordt er een houten kruis en een portret geplaatst. We gaan weer in colonne naar huis terug waar meteen met de maaltijd begonnen wordt en een ieder doet zich tegoed aan de vele gerechten die klaar staan. Later vertelde Baby mij dat ze tien kilo rijst heeft gekookt voor al de gasten. Dit was onze tweede dag in Indonesië inclusief jetlag en de vele indrukken en emoties. Samen met Adja bespreken we na enkele dagen onze reis naar Sorong en hoe we het beste kunnen reizen. Hij heeft een goede vriend die voor ons de tickets zal verzorgen. Het kost ons de nodige moeite om het geld, Rp.8.000.000, bij elkaar te pinnen want zoveel heeft men dagelijks niet in kas bij de bank. We hebben nog wel even tijd voordat we kunnen vertrekken dus we maken ons niet druk. We bellen Lucas Sun om een hotel voor ons te regelen maar hij verblijft toevallig ook in Jakarta maar raadt ons aan om naar het nieuwe hotel in Sorong te gaan. We moeten nog twee weken wachten op het vertrek en we besluiten om eerst een bezoekje aan Boger mijn geboorteplaats te brengen. Robert als vaste chauffeur gaat samen met Baby met ons mee en we brengen eerst een bezoekje aan An Timur want zij is onze gids op zoek naar het graf van het zusje van mijn zwager Leo de Groot. Gelukkig is ze thuis en ze ontvangt ons in de voorkamer en laat meteen wat te drinken voor ons inschenken door haar kleinzoon van vijftien jaar. Ik ben nog nooit in dit huis geweest maar nu is het net of ik iets terug zie van vroeger, de ontvangst ruimte, de tussen kamer (eetkamer) en de zitkamer daar achter.
Zo moet ik ook gewoond hebben met mijn ouders bij mijn Opa en Oma Niedeck toen we er in de oorlogsjaren bij inwoonden. In een dergelijk soort huis met al die ruime vertrekken moet ik over de betegelde vloeren gekropen en gespeeld hebben met mijn neven George en Ronald. Ik zeg tegen Thea, ik herken dit en voel me hier senang en net of ik weer thuis ben na zestig jaar.
We gaan naar het kerkhof en vinden het graf en ik maak er een foto van nadat men het eerst heeft ontdaan van al het onkruid en gras wat er overheen gegroeid is. Ik ga nog even zoeken naar de grafsteen van mijn Opa van mijn vaders kant. Bij mijn eerdere bezoek in 1991 stuitte ik er toevallig op maar nu vind ik het niet meer terug. Het is al laat in de middag en nadat we An weer thuis hebben gebracht en haar papaja boom van de bloemen hebben ontdaan, gaan we weer terug naar huis. Nb. Van de bloemen heeft Nar de volgende dag speciaal voor mij een heerlijk gerecht gekookt, lekker pedis en bitter. Deze dag is Tamara, de dochter van Baby, jarig. Baby is al heel vroeg wakker en bezig met het bakken van taarten die ze 's middags ergens moet afleveren. Op de terugweg brengen we een bezoekje aan het klooster waar een tante van mij woont. Ze is non en al op leeftijd en ze weet nog veel te vertellen over mijn jeugd in Bogor. Het doet me goed dat ik haar nu eindelijk
eens ontmoet heb, ondanks dat ze al heel wat keren in Holland geweest is. Tot zover het eerste gedeelte van mijn verhaal.
Wordt vervolgd. Guido Bremer
Op reis naar het hoge noorden, met als doel Noors~, Zweeds~ of Fins Lapland, sturen we dat gebied meestal aan om door Zweden te rijden. Onderweg maken we gebruik van de mogelijkheid om te overnachten bij particulieren. Dat kan een deel van hun huis zijn of een naastgelegen, compleet ingerichte woning. Intussen staat menig adres op de kaart. Gek genoeg maken we hiervan zelden gebruik doordat we kris kras door het land zwerven.
Of het moet al een zeer speciaal adres zijn.
Zo komen we al menig jaar in Norr Moflo, een piepkleine nederzetting op een tiental kilometers van
Näsåker. Daar huren we een groot, mintgroen geverfd huis. Het staat naast het witte (en nog groter) huis van de eigenaren op een terrein van sier~ en moestuinen, berkenbomen en grasland dat afglooit naar de Ångermanälven rivier. Achter hun huis staat een derde huis, hun zomerhuis. Deze is rood gebeitst, net als de stallen en bijgebouwen daarachter. Aangrenzend is hun bos. De eerste buur woont een ruime honderd meter verderop.
Leif en Dagmar zijn vitale, zeventig plussers en eigenaar van dit alles. We zijn intussen goede vrienden geworden en als het even kan bezoeken we ze.
Dagmar is gepensioneerd lerares Engels en Leif is houtvester. Dat wil zeggen dat hij op een terrein van 400 hectare berken en naaldbomen verzorgt, houtkap pleegt en door de verkoop daarvan zijn inkomen heeft. Na en jaar wordt op de braakliggende percelen nieuw aangeplant. Een cyclus tussen jonge aanplant en het kappen van de boom is ruim 60 jaar. De bospercelen zijn sinds 1645 in de familie. Leif en Roel hebben ‘hout’ als gemene deler waar ze nooit over uitgepraat raken. Roel ’s werkzame leven in de houthandel begint n.l. daar waar Leif ’s stammen verkocht worden. Met nieuwsgierige vragen bestook ik Dagmar over haar leven in Zweden. Daar kan ze heel beeldend over vertellen. Over haar gezin, haar docentschap op de school in Junsele en hoe alles reilt en zeilt in het dagelijks leven.
Hoe ze de lange winters, van drie maanden nachtelijke duisternis, doorkomen met een druk sociaal~ en cultureel leven. Er wordt veel gelezen en de televisieprogramma’s worden juist aangepast met mooie films, toneel~ en theaterstukken of opera’s.
Dan komt de prille lente met lengende dagen en genieten ze, tot ver in April, van ski~ of wandeltochten. Er gaat dan niets boven een picknick bij een schuilhut. Boven het kampvuur worden worstjes geroosterd en sneeuw in de ketel wordt thee of pruttelkoffie.
In de zomertijd zijn er openluchtfeesten met muziek en dans en een lange schoolvakantie in het land van de middernachtzon. Dan ook leidt Dagmar groepen door de bossen, over weides en langs rivieren. Put uit haar uitgebreide kennis en zo krijgen de deelnemers een stoomcursus over de rijke flora en fauna.
De herfst is de tijd om mondvoorraad aan te leggen voor de komende winter. Dat wordt voornamelijk gedaan door jacht op gevogelte, elanden en rendieren. Dikke zalmen en forellen worden uit rivier of meer gevist. Naast de moderne diepvriezer wordt er nog veel vlees en vis op authentieke wijze gerookt. Verder zijn ze druk met conservering van groenten en fruit en worden er poolbessen, vossebessen en paddestoelsoorten (o.a. cantharellen) geplukt.
Op haar beurt vraagt zij mij het hemd van ’t lijf hoe het in Nederland gaat. Van kraamzorg tot bibliotheek en openbaar vervoer. Hoe het is om met veel mensen op een respectievelijk klein oppervlak te wonen, over scholen, theater en van markten tot menu. We benoemen recepten en merken dat er ook overeenkomsten zijn. Behalve in de exotische keuken.
Laat in september van 2007, op de terugreis van een rugzak trekkingtocht in Nationaal Park Padjelanta, zijn we in Strömsund. Roel belt naar Dagmar en vraagt of het huis bezet is door een groep jagers of vrij is. Blij verrast zegt ze dat we welkom zijn en we rijden de honderd kilometer er naar toe.
In het huis staat de verwarming te loeien, zelfs op de slaapkamer. Als ik daar voor de toilettas een
tafel vol lectuur vrijmaak vind ik ’t boek “Vildar och Paradisfåglar’ van Sten Bergman. Het schutblad is een foto van een trotse Papua met een paradijsvogel op zijn hand. Roel doet een poging om Zweeds te lezen. Dan blijkt dat deze avontuurlijke zooloog tussen 1948 en1950 op Nieuw Guinea was. Hij sluit zich aan bij een Nederlandse expeditie van wetenschappers, die op zoek gaan naar dieren en planten t.b.v. het Rijksmuseum, hedendaags het K.I.T. De groep start in Buitenzorg en landt in Nieuw Guinea op Sorong. Er volgt een beschrijving van Sorong en het eiland Doom, inclusief Pulau Dynamiet en het Krokodilleneiland en foto’s.
De stippellijnen op de kaart is hun route, welke het hele ‘vogelkop’ gebied bestrijkt. Zweeds is knap moeilijk lezen. Ik ben blij verrast met deze vondst en als we ’s avonds bij Dagmar en Leif aan de koffie zitten vertel ik er over. Het boek heeft Leif ooit in zijn studententijd gekocht.
De week dat we er zijn kook ik Indische voor ze. Rijst met frikadel pan, ajam bali, sajoer chinese kool met garnalen, atjar ketimoen en sambal. Dagmar is een matige eter maar ze geniet van alles een beetje en probeert zowaar iets van de sambal. Leif heeft de hele dag in het bos gewerkt en schept nog een bord vol op…. met sambal extra pedis. Dat vindt hij heerlijk. We hebben er een Zweedse Indo bij! Als we koffie drinken en chocolaatjes smikkelen, vertellen Dagmar en Leif dat ze vinden dat ik het boek maar mee moet nemen, omdat het bij mij hoort. Ontroert neem ik het boek aan. Ik vraag Dagmar er wat in te schrijven en in ouderwets schuinschrift staat er:
Brenda and Roel,
We are so glad to be able to give this book, you are the right people to own it. Dagmar and Leif.
New Guinea has been your home, Brenda, for some years;
later you had the luck to come to Holland and there you met your husband Roel
Good luck to your both from
Gelukkig zijn in Norr Moflo, Indisch etensgeur nog om je heen en een boek over Doom….
Weer thuis, ‘Google’ ik op titel en auteur. Een engelse versie is in Londen te koop, maar antiquariaat Hopi Bukinan in Amsterdam heeft er één in het Duits. Die bestel ik. Minutieus beschrijft de auteur over de instanties en mensen die hem helpen deze expeditie mogelijk te maken. Over het contact met de Papua’ s en zijn observaties van flora en fauna. Een zeer leerzaam boek over een nu bijna verloren volk en hun natuurlijke omgeving.
Brenda van Dam – Bremer
Deze afscheidsrede werd uitgesproken door Guido Bremer (broer) tijdens de uitvaart van Mano op 23 maart 2010.
Manokwari, 11 mei 1947
Heel vreemd. Daddy maakte mij wakker, wat meestal Tia deed. Ik moest me aankleden evenals Rita. Daddy ging Brenda wassen en aankleden.
Wij gaan een nieuw broertje ophalen uit het ziekenhuis, zegt hij tegen ons. Het is een stralende zonnige dag.
Hij draagt Brenda op zijn arm en Rita en ik volgen hem. We lopen een steil bospad op. Ik kijk mijn ogen uit, want ik zie overal mooie kleurige planten en bloemen om me heen.
We lopen door het oerwoud naar het ziekenhuis en daar ligt Tia met naast haar bed een klein houten kinderbedje.
Daddy zet Brenda neer en zegt tegen ons, dit is jullie nieuwe broertje. Hij heet Mano. We noemen hem zo, omdat we veilig in Manokwari zijn aangekomen uit het onveilige Indixeb
Na twee zussen wordt Mano meteen mijn beste maatje.
We verhuizen van Manokwari naar het eilandje Doom.
We beleven er een onbezorgde en een ideale jeugd.
Nog twee broertjes krijgen we erbij, Reggy en Wouter. We hebben veel kattekwaad uitgehaald, wat meestal straf of een pak slaag opleverde.
Voetballen, met de prauw vissen of Tarzan spelen in de bush. Een mooier leven kan een jongen zich niet wensen.
In 1957 ging ik naar Holland en pas twee en half jaar later zagen we elkaar weer terug. Samen met Brenda, hebben we de familie van Schiphol gehaald.
Een nieuw land staat voor de deur, geen blote voeten, maar schoenen aan, wanten met een dikke jas aan.
We gaan in Zwolle wonen en gaan naar een andere school met veel blanke kinderen met andere gewoonten. Aanpassen en oppassen is het motto!
Je gaat in dienst en reist met de Karel Doorman de wereld rond. Je ontmoet Hanneke en je krijgt twee lieve kinderen en een kleindochter.
Helaas slaat het noodlot toe.
Eerst de ziekte van Hanneke, waarvoor je je volledig met hart en ziel en veel liefde voor hebt ingezet. Alleen je hebt jezelf teveel ontzien, want ook jij wordt ziek.
Je belde me vorig jaar augustus op met de trieste mededeling, dat je een tumor had. De grond onder mijn voeten zakte weg. Van die tijd af, heb ik zoveel mogelijk geprobeerd je te steunen en ben veel bij je geweest. We hebben gepraat over alles en nog wat in ons leven. Vooral uit het verleden, over je jeugd, heb je heel veel verteld. Over de toekomst zei je niet veel, ondanks dat we samen wisten hoe slecht je ervoor stond.
En nu Mano, lig je daar. Je ogen zijn gesloten en je ligt vredig te slapen met je bekende glimlach om je mond.
Zo ben je, zo was je. Veel humor, altijd een grapjas met de mensen om je heen en onze kinderen en kleinkinderen.
Je hebt ons nu verlaten en je gaat een verre reis maken in je bootje, je bootje van Sorong-Doom.
Omdat ik je 62 jaar geleden bij je geboorte heb opgehaald, wil ik je nu symbolisch terugbrengen naar je geboortegrond, je tanah air, door het uitstrooien van de aarde uit jouw geboorteland Nw. Guinea.
Vaarwel Mano, vaarwel broer.
Moge je ziel rusten in vrede en moge onze gedachten eeuwig bij je zijn.
Amato Mano-Mano.
Deze afscheidsrede werd uitgesproken door Guido Bremer (broer) tijdens de uitvaart van Mano op 23 maart 2010.
Manokwari, 11 mei 1947
Heel vreemd. Daddy maakte mij wakker, wat meestal Tia deed. Ik moest me aankleden evenals Rita. Daddy ging Brenda wassen en aankleden.
Wij gaan een nieuw broertje ophalen uit het ziekenhuis, zegt hij tegen ons. Het is een stralende zonnige dag.
Hij draagt Brenda op zijn arm en Rita en ik volgen hem. We lopen een steil bospad op. Ik kijk mijn ogen uit, want ik zie overal mooie kleurige planten en bloemen om me heen.
We lopen door het oerwoud naar het ziekenhuis en daar ligt Tia met naast haar bed een klein houten kinderbedje.
Daddy zet Brenda neer en zegt tegen ons, dit is jullie nieuwe broertje. Hij heet Mano. We noemen hem zo, omdat we veilig in Manokwari zijn aangekomen uit het onveilige Indië
Na twee zussen wordt Mano meteen mijn beste maatje.
We verhuizen van Manokwari naar het eilandje Doom.
We beleven er een onbezorgde en een ideale jeugd.
Nog twee broertjes krijgen we erbij, Reggy en Wouter. We hebben veel kattekwaad uitgehaald, wat meestal straf of een pak slaag opleverde.
Voetballen, met de prauw vissen of Tarzan spelen in de bush. Een mooier leven kan een jongen zich niet wensen.
In 1957 ging ik naar Holland en pas twee en half jaar later zagen we elkaar weer terug. Samen met Brenda, hebben we de familie van Schiphol gehaald.
Een nieuw land staat voor de deur, geen blote voeten, maar schoenen aan, wanten met een dikke jas aan.
We gaan in Zwolle wonen en gaan naar een andere school met veel blanke kinderen met andere gewoonten. Aanpassen en oppassen is het motto!
Je gaat in dienst en reist met de Karel Doorman de wereld rond. Je ontmoet Hanneke en je krijgt twee lieve kinderen en een kleindochter.
Helaas slaat het noodlot toe.
Eerst de ziekte van Hanneke, waarvoor je je volledig met hart en ziel en veel liefde voor hebt ingezet. Alleen je hebt jezelf teveel ontzien, want ook jij wordt ziek.
Je belde me vorig jaar augustus op met de trieste mededeling, dat je een tumor had. De grond onder mijn voeten zakte weg. Van die tijd af, heb ik zoveel mogelijk geprobeerd je te steunen en ben veel bij je geweest. We hebben gepraat over alles en nog wat in ons leven. Vooral uit het verleden, over je jeugd, heb je heel veel verteld. Over de toekomst zei je niet veel, ondanks dat we samen wisten hoe slecht je ervoor stond.
En nu Mano, lig je daar. Je ogen zijn gesloten en je ligt vredig te slapen met je bekende glimlach om je mond.
Zo ben je, zo was je. Veel humor, altijd een grapjas met de mensen om je heen en onze kinderen en kleinkinderen.
Je hebt ons nu verlaten en je gaat een verre reis maken in je bootje, je bootje van Sorong-Doom.
Omdat ik je 62 jaar geleden bij je geboorte heb opgehaald, wil ik je nu symbolisch terugbrengen naar je geboortegrond, je tanah air, door het uitstrooien van de aarde uit jouw geboorteland Nw. Guinea.
Vaarwel Mano, vaarwel broer.
Moge je ziel rusten in vrede en moge onze gedachten eeuwig bij je zijn.
Amato Mano-Mano.
Wilt u een berichtje achterlaten in het condoleance register van Mano Bremer dan kunt u hiervoor klikken naar de volgende internet site: Mensenlinq.nl (bron: de Stentor)
Natuurlijk kunt u ook een berichtje achterlaten op deze site.
Zwolle, 17 maart 2010
Diep bedroefd hebben wij kennis genomen van het bericht dat veel te vroeg op 62-jarige leeftijd uit onze familie is heen gegaan
Mano Gerrit Bremer
Manokwari (Ned. Nw Guinea), 11 mei 1947
Wij wensen Hanneke, Michel, Natascha en Selina alle kracht toe om dit grote verlies te kunnen dragen.